Inleiding
Goede morgen allemaal op deze donderdag 15 januari 2026. Ik begin met een toepasselijk liedje bij de ‘kennisparel’ van vandaag: https://www.youtube.com/watch?v=KWmD_HcOcfU&list=RDKWmD_HcOcfU&start_radio=1 Vandaag als ‘kennisparel’ het vandaag verschenen rapport Georganiseerde criminaliteit in Nederland: Cocaïnesmokkel en liquidaties, zesde rapportage op basis van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit. Het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum (WODC) onderzocht, samen met de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) en de Vrije Universiteit (VU), de aard van de georganiseerde criminaliteit in Nederland en de ontwikkelingen die op dit gebied zijn te onderkennen. Met deze zesde rapportage is de uitvoering van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit vervolgd. Het doel van de monitor is om door middel van systematische kennisverzameling het leervermogen van politie en justitie te vergroten en een relevante basis te verschaffen voor de vorming en uitvoering van preventief en repressief beleid en wetgeving.
In het rapport staan cocaïnesmokkel en liquidaties centraal. Deze delictsvormen zijn bestudeerd aan de hand van vier thema’s: modus operandi bij de criminele activiteiten, criminele samenwerkingsverbanden, criminele levenslopen van betrokken verdachten en de aanpak door politie en justitie. Voor cocaïnesmokkel is tevens gekeken welke ontwikkelingen binnen deze activiteit te zien zijn in de afgelopen 25 jaar op basis van data uit eerdere monitorrondes. Voor liquidaties is een dergelijke vergelijking door de tijd heen niet te maken omdat liquidaties tot deze ronde van de monitor niet als afzonderlijk fenomeen waren bestudeerd.
Bron
Eeden, C.A.J. van den, R.A. Roks, M.V. van Koppen, J.H. Goes, S.J. van Deuveren & L.K. Krijger (januari 2026). Georganiseerde criminaliteit in Nederland: Cocaïnesmokkel en liquidaties, zesde rapportage op basis van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit. Den Haag: Ministerie van Justitie & Veiligheid, Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum, 249 pp. https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/3506
Summary
The researchers observe a certain degree of consistency in both the perpetrators and the commission of offences related to organised crime. For example, the structure of the criminal collaborations does not appear to have changed substantially over time, nor has the number of suspects central to each case. Across all rounds of the Monitor, fluid criminal networks can be identified. In both older and more recent cases, investigative efforts appear to focus primarily on key figures or “leading actors” within the networks, as well as suspects in more facilitating roles. In general, for criminal collaborations involved in both cocaine trafficking and contract killings, it can be concluded that the picture of these collaborations is to a significant extent also the result of choices and priorities made within criminal investigations. The analysis of the criminal life courses of individual suspects likewise shows a degree of continuity. Over time, suspects have not become noticeably younger or older. The criminal careers of suspects some 30 years ago began at approximately the same age as they do today, and suspects also entered organised crime at roughly the same age as those involved in the most recently studied investigations.
The study shows that gaining insight into suspects’ communications has always been important, and that this has consistently been a key focus of law enforcement and remains so today. Access to communications provides insight into the criminal collaboration, its members, and the methods employed. In particular, access to PGP communications—within which suspects believed their exchanges to be secure—has yielded substantial benefits for law enforcement. New information derived from PGP data also enabled criminal investigations that had previously stalled to be effectively revived.
At the same time, the study also highlights a number of changes. Although some smuggling methods show a degree of continuity over time, it is striking that several “classic” modi operandi have taken on new forms of execution. More generally, a substantially greater diversity of smuggling methods is observed than in earlier monitoring reports. Smuggling activities are also no longer confined to the port of Rotterdam; Dutch criminal collaborations are found to be active in other European ports as well. Another difference is that more recent cases all, in one way or another, involve examples of “inside assistance.” The necessity of such assistance cannot be separated from changes in enforcement approaches: increased security and controls mean that the importation of cocaine can no longer take place without help from within. Whereas in some older cases there were suspicions of corrupt customs officers or other compromised public officials, intercepted encrypted communications in the more recent cases provide concrete insight into this form of corruption. In summary, these new developments can be seen as reflecting the adaptive capacity of criminal collaborations involved in the importation of cocaine.
Differences are also observed when examining criminal life courses. Contemporary suspects have had far fewer contacts with the criminal justice system prior to their index offence—the specific case in which they were suspected of involvement in organised crime—than suspects from earlier cohorts, while the period between the start of their criminal career and the moment they became involved in the case that led to their inclusion in the Monitor has remained unchanged. On the basis of the available information from criminal records and case files, this difference is difficult to explain.
Access to PGP message traffic has contributed substantially to law enforcement efforts in investigating the criminal activities studied. In particular, in major contract killing cases, previously separate homicide investigations could be linked through PGP data, bringing an underlying network into view. In both types of criminal activity examined, law enforcement was also able to move closer to the core of criminal groups and to gain insight into facilitators. In older investigations without access to PGP data, investigations more often remained confined to the operational level of the organisation. The question, however, is how long this richness of information will persist. This source of information may dry up or become obsolete. Moreover, the events discussed in the communications often date back even further in time. How can law enforcement maintain insight into new groups, methods, and forms of criminal activity when a key source of information is retrospective in nature? In a number of cases largely based on the overwhelming evidentiary value of PGP communications, it is apparent that only a limited understanding emerged of the suspects, their roles, and their mutual cooperation. Indeed, compared with older cases, the picture of criminal collaborations in the newer cases is in some instances limited and fragmented.
Afsluitend
Een goed onderbouwde aanpak van de georganiseerde criminaliteit is alleen mogelijk wanneer er een gedegen inzicht bestaat in de aard van de georganiseerde criminaliteit zoals die zich in Nederland manifesteert. De Monitor Georganiseerde Criminaliteit biedt dat inzicht door zo veel mogelijk de kennis te benutten die wordt opgedaan tijdens omvangrijke opsporingsonderzoeken. Tijdens dergelijke onderzoeken worden vaak vergaande instrumenten ingezet, zoals het afvangen van communicatie. Omdat alleen de politie deze instrumenten kan inzetten en ze vaak een diepgaand beeld schetsen van de personen tegen wie ze worden gebruikt, leveren ze unieke kennis op over wat georganiseerde criminaliteit in de praktijk behelst. Wanneer deze kennis opgesloten blijft in afzonderlijke opsporingsonderzoeken, kan de bestrijding van georganiseerde criminaliteit in bredere zin hier niet van profiteren. Het ontsluiten van die kennis vormt de bestaansreden van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit en is in 2026 nog steeds actueel.
De empirische kern van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit bestaat uit de analyse van afgeronde opsporingsonderzoeken. Voor deze zesde ronde zijn zestien opsporingsonderzoeken op het terrein van cocaïnesmokkel en liquidaties geanalyseerd. Dit betekent dat voor deze opsporingsonderzoeken, aan de hand van een aandachtspuntenlijst, het opsporingsdossier is doorgenomen, doorgaans nadat een interview had plaatsgevonden met de zaaksofficier en/of de teamleider bij de politie. Inmiddels zijn na zes rondes van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit 196 zaken via dezelfde systematiek geanalyseerd. Daarmee is een grote dwarsdoorsnede aan opsporingsonderzoeken voorhanden, niet alleen over verschillende samenwerkingsverbanden en criminaliteitsvelden, maar ook in de tijd. Hoewel de dossiers een exclusieve inkijk in de georganiseerde misdaad bieden, is die inkijk ook selectief. Het beeld van de structuur, de organisatie en de activiteiten van criminele samenwerkingsverbanden is vooral het product van prioriteiten, keuzes en kansen tijdens een opsporingsonderzoek. Ook komen alleen verdachten in beeld die onder de aandacht van de politie zijn gekomen.
Voor de criminele levenslopen vonden de analyses plaats op verdachtenniveau. In die analyses werd gekeken naar de verdachten uit alle monitorrondes. Het unieke materiaal dat 25 jaar lang is verzameld over verdachten betrokken bij georganiseerde criminaliteit in Nederland biedt de mogelijkheid de criminele levenslopen van verdachten en hun betrokkenheid bij de georganiseerde criminaliteit over de afgelopen decennia te volgen en te vergelijken. Daarom zijn de criminele levenspaden bestudeerd van cohorten van verdachten die in verschillende periodes actief waren in de georganiseerde criminaliteit. Een groot deel van de parketnummers van verdachten uit eerdere rondes bleek echter te ontbreken in de oude zaaksamenvattingen. De parketnummers waren nodig om een koppeling te kunnen maken met de Onderzoek- en Beleidsdatabase Justitiële Documentatie (OBJD), waarin demografische en justitiële kenmerken van verdachten zijn opgenomen. De kwantitatieve analyses over de criminele levenspaden zijn daarom in deze ronde gebaseerd op een kleiner deel van de verdachten dan voorheen. Met name voor de eerste monitorrondes geldt dat een kleiner deel van de verdachten kon worden teruggevonden en meegenomen in de analyses.
Ten slotte, voor meer achtergrondinformatie over de Monitor Georganiseerde Criminaliteit: https://www.wodc.nl/onderzoek-in-uitvoering/statistiek-en-monitoring/monitor-georganiseerde-criminaliteit Voor een verzameling van relevante ‘kennisparels’ zie: https://www.researchgate.net/publication/360773928_Georganiseerde_Misdaad_Kennisparels_2020-2025_Een_overzicht_van_op_evidentie_gebaseerde_inzichten_rond_georganiseerde_misdaad
