Inleiding

Goede morgen gewaardeerde ´kennisparelontvangers´, het is vandaag donderdag 16 januari 2025. Ik begin de dag met een toepasselijk liedje bij de ´kennisparel´ van vandaag: https://www.youtube.com/watch?v=NbP7Zt13xhE Vandaag een klassiek onderwerp als ´kennisparel´: de effectiviteit van straffen. In deze ´kennisparel´ wordt het bewijsmateriaal over de effectiviteit van straffen systematisch beschreven vanuit het perspectief van daders, het algemene publiek, slachtoffers en rechters. Boekenkasten zijn ermee vol geschreven. Waar gaat het ook alweer over? Met dank aan mijn oud-collega en vriend Bert Berghuis kan dat als volgt worden samengevat. Een klassieke gedachte in het strafrecht is dat straffen er toe dienen dat men uit vrees voor bestraffing nalaat delicten te plegen (algemene afschrikking / of generale preventie) of dat opnieuw zal doen (speciale afschrikking / preventie).

Volgens de ideeën van Césare Beccaria en Jeremy Bentham in de 17e respectievelijk 18e eeuw, zou die vrees een sterker effect hebben naarmate die straf met meer zekerheid volgt, sneller wordt toegediend en passend maar voldoende zwaar van karakter is. Sindsdien heeft de afschrikkingstheorie een belangrijke plaats gekregen en behouden in het denken over het nut van straffen. Zo kreeg dit een nieuwe impuls door de economische benadering van Gary S. Becker in 1968, die er van uitgaat dat een potentiële crimineel afziet van zijn criminele daad als de te verwachten opbrengst niet opweegt tegen de te verwachten straf: https://www.jstor.org/stable/1830482 Een echte klassieker.

Ook in het strafrechtelijk beleid blijkt er een groot geloof in de afschrikkende werking van bestraffing. Het ‘harder aanpakken’ lijkt een permanente reflex bij allerlei ongewenst gedrag, zoals wanneer het gaat om verkeersovertredingen (‘verkeershufters’), om agressie tegen werknemers met een publieke taak, of meer in het algemeen als favoriete repressieve benadering van criminaliteit vooral aan de rechterzijde van het politieke spectrum. Maar hoe zit het nu met het wetenschappelijk bewijs voor deze gedachte? Er lijkt een grote verwarring te bestaan: soms meent men dat strenger straffen wel degelijk helpt, anderen zien daar niets in, weer anderen denken dat een grotere pakkans wel afschrikkend werkt maar hogere straffen niet: https://www.researchgate.net/publication/287995045_Crime_rates_and_recidivism_not_reduced_by_more_severe_punishments

Bron

Gormley, Jay (December 2024). Reconceptualising the effectiveness of sentencing: Four perspectives. London: The Sentencing Council for England and Wales, 60 pp. https://www.sentencingcouncil.org.uk/wp-content/uploads/Effectiveness-report-FINAL-Sept-2024.pdf

Summary

This literature review brings together the evidence on the effectiveness of sentencing from the perspectives of offenders, the general public, victims and sentencers. It builds on the 2022 review commissioned and published by the Sentencing Council that brought together evidence on the effectiveness of different sentencing options on reoffending. These reviews were commissioned in response to the Council’s commitment in its Strategic Objectives 2021-2026 to “consider and collate evidence on the effectiveness of sentencing” (Strategic Objectives 2021-2026), enabling it to consider the most up-to-date evidence when developing and revising guidelines.

This review covers research related to the groups’ differing perspectives of sentencing effectiveness, exploring factors such as deterrence, punishment, knowledge and understanding of sentencing and the role of sentencing in the context of procedural justice. Research literature on sentencing is reviewed, with a focus on the most recent evidence up to 2023. The review strongly focused on literature in England and Wales, though findings from research conducted in other jurisdictions were considered to the extent they could be informative.

One challenge in this review is the expansive range of matters that are relevant to the effectiveness of sentencing. Thus, a novel way to usefully broaden the scope, while keeping the review manageable, was needed. Here, the broader scope is achieved by using the perspectives of four key groups as a means to consider a wider range of issues relevant to effectiveness: offenders (specifically with regard to deterrence); the public; victims; and sentencers (judges and magistrates). This broader scope is better able to recognize that, in reality, sentencing is a complex, dynamic, and social process. This recognition creates new possibilities for meaningful debate and reform.

A theme from this review is that while reducing reoffending is an important aim with potentially immense benefits, an effective sentence must also serve to communicate to society that justice has been done, that wrongdoing has been censured and denounced, and that, ultimately, offenders have been held accountable. Traces of this theme are seen in all four of the perspectives noted here. Whether these aims are perceived to be met may, in part, depend on how sentencing is communicated and understood.

Consequently, what makes a sentence effective from these perspectives is more complex than it might first appear. While sentences themselves matter for a range of reasons, it is also vital that, as far as possible, all feel the harm done to victims has been recognized, the offender has been held to account, and that victims and society have been listened to. Meeting these aims depends on more than just the sentence itself; more severe sentences in and of themselves will not necessarily achieve them better. Indeed, a relatively less severe sentence that manages these aims could be better received than a more severe sentence that does not (such as if the more severe sentence is perceived as perfunctory). The key point here is that factors beyond the disposal matter and that sentencing has a social and communicative function worth considering.

Firstly, in terms of marginal deterrence, overall the evidence does not suggest that increasing custody rates or the length of custodial sentences has greater general or specific deterrent effects. The ‘decision’ to offend, not offend, or desist from offending is tremendously complex and assumptions based on simple rational choice theories for deterrence may not be met in reality. Secondly, research suggests that the public may have limited knowledge and understanding of sentencing. Unless and until this knowledge gap is closed, the extent to which sentencing practice can influence public perceptions and confidence will be muted.

Thirdly, what might influence whether and to what extent victims feel a sentence is effective or ineffective is complex. While outcomes are not unimportant, victims may view an effective sentence to be one that is potentially cathartic in allowing them to feel justice has been done: because they’ve been actively listened to; the harm done has been acknowledged; they have been believed; and there has been accountability and censure. Such perceptions may depend on more than a specific sentence. Thus, in part, addressing the effectiveness of sentencing from the perspective of victims could entail greater communication (such as through guidelines, discussions before sentencing, and/or debriefs after) about what a sentence means and why it has been chosen. Finally, the perspectives of judges and magistrates about sentencing have profound implications for work on the effectiveness of sentencing. For example, work with sentencers may highlight unknown barriers to the use of some disposals in practice and shed new light on a range of areas where improvements might be made. Existing work has already raised notable areas for further enquiry concerning communication with sentencers and (potentially significant) issues about the availability of community sentences.

Afsluitend

Alweer een mooie bijdrage met implicaties voor het strafrechtelijk beleid in Nederland. Werken zwaardere straffen eigenlijk wel, bestaat er zoiets als afschrikking, hoe kun je percepties van pakkans ophogen, wat kunnen we leren van interviews met daders, is het justitiële systeem wel adequaat om strafdreiging te bevorderen? Allemaal basisvragen waar de huidige beschikbare kennis deels antwoord op kan geven. In veel staten van de USA en in het VK heeft men de roep om zwaardere straffen beantwoord met het echt ook toedelen van dergelijke straffen. Het niveau van insluiting is daarmee dramatisch gestegen, evenals de kosten daarvan. Er is sprake van een ´prison industry´.

Op basis van een fors aantal studies kan gesteld worden dat verhoging van de strafdreiging (veelal gevangenisstraf) in den brede geen of slechts een zwak effect zal sorteren: https://www.iprt.ie/sentencing/the-campbell-collaboration-policy-brief-4-the-effects-of-sentencing-policy-on-re-offending/ Meer toegespitste inspanningen, gericht op specifieke delicten en doelgroepen, kunnen echter wel degelijk bijdragen aan afschrikking. Dan zal de subjectieve strafkans het gedrag kunnen beïnvloeden, met name als de strafdreiging zich opdringt aan de potentiële pleger door de combinatie van een gerede kans op snelle, zekere en serieuze negatieve consequenties die kunnen worden toegepast bij het plegen van delicten.

In ons land is dat nauwelijks gebeurd, evenals in andere landen zoals Duistland en Canada. Treffend is dat onze straftoemeting betrekkelijk constant is in ons land, en alleen op onderdelen wijziging vertoont om mee te lopen met de veranderingen in de maatschappelijk denken (seksuele delicten, mensenhandel, ‘zinloos geweld’, geweld tegen publieke functionarissen en geweld achter de voordeur). Het is dan ook vermeldenswaardig dat een strenger strafklimaat niet een gunstiger effect heeft op het criminaliteitsniveau dan een meer gematigd klimaat. In de gehele Westerse wereld is de criminaliteit (even) sterk gedaald. In ons land is sprake van een gematigd strafklimaat: er worden niet zozeer mínder vrijheidsstraffen uitgedeeld als wel dat die van relatief korte duur zijn.

Hierin zijn we niet uniek – we delen dit met landen als Noorwegen, Denemarken en Zweden. Dat lijkt niet toevallig, want we staan cultureel het dichtst bij deze landen. Naast aspecten als betrekkelijk geringe machtsverschillen (die we met meer Westerse landen delen) is het bijzondere de ‘zorgzame cultuur’ die zich uit in een verzorgingsstaat, en waarin criminaliteit minder alleen als een veiligheidskwestie wordt gezien maar ook als een sociale kwestie waarin hulp en zorg een belangrijke component zijn. Hiermee is het gematigd strafklimaat in Nederland een onderdeel van een bredere cultuur, die maakt dat we behoren (met onze Scandinavische familie) tot de landen met de grootste welvaart en geluk.