Inleiding en context
Goede morgen beste ´kennisparellezers´, het is vandaag 6 juni 2023. Om het heden te begrijpen is het noodzakelijk om het verleden te kennen. En dat geldt ook voor het fenomeen van de zogenaamde ´levensloopcriminologie´. Er wordt ook wel gesproken over criminele carrières, hoe ziet de start er daarvan uit? Wanneer wordt die beëindigd? Welke interventies kunnen dergelijke carrières (vroegtijdig) beëindigen? Wat zijn de kenmerken van effectieve interventies? Bijgesloten ´kennisparel´ biedt een samenvattend overzicht van de beschikbare kennis over die levensloopcriminologie. Wat weten we daarvan? Hoe is de ontwikkeling qua kennisaccumulatie gegaan? Om wat meer context en duiding te bieden heb ik onderstaande tekst toegevoegd. Die samenvattende tekst is van mijn oud-collega Bert Berghuis en ondergetekende.
Start en beëindiging criminele carrière
Grofweg tekent zich voor wat de ontwikkelingspaden naar delinquentie het volgende patroon af. Zo’n 70% van de jongeren vertoont geen, nauwelijks of hoogst incidenteel delinquent gedrag. Ongeveer 15% van de jongeren ontwikkelt dat duidelijk wel, doorgaans rond 14-16 jaar, maar de piek daarin wordt gevolgd door een scherpe daling: er is dus sprake van tijdelijke delinquentie. Bij 5-10% is sprake van een later in de adolescentie of (jonge) volwassenheid opkomen van delinquent gedrag dat pas later aan een daling toe is. En er blijft dan een groep van zo’n 5% ‘persistente delinquenten’ over die al snel veel delinquentie laat zien en daar mee blijft doorgaan – pas in de onvolwassenheid treedt zich pas langzaam een dalende trend af. Hiermee wordt helder, dat de groep jongeren die zich nadrukkelijk crimineel manifesteert (30% van alle jongeren) in meerderheid bestaat uit jongeren bij wie de delinquentie van vooral voorbijgaande aard is. Maar één op de 6 van hen behoort tot de groep ‘persistenten’. Daarbij zijn de instapdelicten van deze groep voor wat betreft de ernst van het lichte kaliber (winkeldiefstal, fietsdiefstal, insluiping). Later volgt het pad naar de meer ernstige delicten. Het vergt nogal ervaring, lef en expertise om als eerste delict ernstige geweldscriminaliteit te plegen
Omdat de groep van persistente delinquenten mede door hun langdurige betrokkenheid in a-socialiteit en criminaliteit een fors aandeel heeft in het aantal gepleegde delicten, is daar veel aandacht naar uitgegaan. Bij deze extreme groep lijken de wortels voor hun chronische delinquentie al in de vroegere jeugd te liggen, via een pad van oplopende agressiviteit, heimelijkheid of opstandigheid. Kenmerkend voor deze extreme groep is dat ze niet alleen veel uitvreten, maar dat hun delict patroon ook zeer gevarieerd blijkt te zijn (‘’varkens aan de trog’’). Dat de wortels voor hun chronische delinquentie diep in hun jeugd liggen wil echter niet zeggen, dat alle kleuters of lastige schoolkinderen zich zouden ontwikkelen toch sociaal gemarginaliseerde delinquenten – het merendeel van dergelijke ‘risicogevallen’ komt uiteindelijk goed op zijn pootjes terecht en het is niet zo, dat als men eenmaal tot de groep chronische delinquenten behoort, dat ook altijd zo blijft: ook bij deze groep daalt de delinquentie in of na de adolescentie, zij het in een betrekkelijk traag tempo. Zie onderstaand curve voor het beeld van het criminele carrièrepatroon in Nederland:

De startleeftijd ligt zo rond het twaalfde jaar en de piek rond 16/17 jaar, daarna topt het (snel) af. Opvallend is de daling van het aantal verdachten tussen 2006 en 2021: Het aantal door de politie geregistreerde delicten waarvan minderjarigen en volwassenen worden verdacht laat een scherpe daling zien. De daling bij minderjarige jongens en meisjes bedraagt tussen 2006 en 2021 bijna 75 procent Die daling doet zich zowel voor bij autochtone als bij allochtone minderjarige verdachten. De daling bij volwassen verdachten bedraagt tussen 2006 en 2021 bijna 50 procent. Er is sprake van een ´krimpend strafrechtelijk bedrijf´ en een ´krimpende jeugdcriminaliteit´: https://www.researchgate.net/publication/314484605_Inleiding
Interventie kan in beginsel veel bereiken
Het is mogelijk grote effecten te behalen met maatregelen die de opbouw van delinquentie tegen gaan of de afbouw daarvan bewerkstelligen dan wel bespoedigen. Zo zijn er interventies bekend waarmee 50% vermindering van delinquentie werd bereikt, of zelfs meer. Maar een dergelijk mooie uitkomst is alleen te bereiken onder uitzonderlijke condities betreffende ‘concentratie’, ‘kwaliteit’ en ‘evenwicht’: https://www.researchgate.net/publication/326177342_Wat_Werkt_Een_systematisch_overzicht_van_25_jaar_verschenen_meta_evaluaties_synthesestudies_binnen_de_kennisdomeinen_situationele_criminaliteitspreventie_politiezorg_en_strafrechtelijke_interventies_1
Concentratie op risicogevallen
Waar delinquentie incidenteel is, is een lichte correctie van overheid en opvoeders doorgaans al voldoende. Er is veel te bereiken indien de inspanningen zich richten op de echte risicogevallen. Het zoeklicht wordt dan gezet op de jeugdigen die wegens hun persoonlijke en sociale omstandigheden een zeer grote kans maken dat ze beginnen of doorgaan met het plegen van veel en zwaardere delicten – dat valt ook redelijk goed te voorspellen. Maar tevens helpt het als daarbinnen de aandacht alleen uitgaat naar de jeugdigen die bereid en in staat zijn mee te werken aan een delict vrije toekomst. Deze twee voorwaarden, veel risico en grote kansen, maken dat de groep die in aanmerking komt doorgaans klein is. Er is immers maar een kleine groep jongeren met grote risico’s, en niet alle chronisch delinquenten zijn in een fase dat ze hun levensstijl structureel kunnen of willen veranderen. In de praktijk betekent dit, dat de interventie veel kan bereiken op een kleine selecte groep jongeren. Op het totaal van de jeugddelinquentie zal effect dan bescheiden zijn.
Kwaliteit vereist
Effectief ingrijpen veronderstelt kwalitatief hoogstaande interventies. Dat stelt hoge eisen aan de professionaliteit en het gezag van de uitvoerende staf. Dat kan niet met een overmaat aan confectie. Zo moet de intensiteit van de interventie aangepast zijn aan de mate waarin jongeren zouden moeten veranderen. En de aard van de maatregelen dienen grofweg te passen bij het type factoren dat ten grondslag ligt aan de delinquentie. Soms kan een enkel op de persoon toegesneden aanpak voldoen. Soms is een meervoudige op zowel persoonlijke als sociale elementen gerichte aanpak nodig, waar ouders, gezin en/of vrienden bij betrokken zijn. En als we te maken hebben met echt criminele jeugdbendes kan het nuttig zijn die als geheel in een keer aan te pakken door ze als geheel tegemoet te treden met strafdreiging in combinatie met het bieden van gedragsalternatieven. In de praktijk blijkt de benodigde hoge kwaliteit vooral te vinden bij zogenaamde ‘etalageprojecten’. Dat zijn interventies die met veel investering, zorg en belangstelling omgeven zijn. In een reguliere uitvoeringspraktijk blijkt een dergelijke kwaliteit zeer vaak niet, of intussen niet meer, op te brengen te zijn. Daarmee ligt de potentiële effectiviteit van veel interventies op een laag niveau of zelfs op nul.
Evenwicht tussen wortel en stok
Interventies die zowel disciplinerend als stimulerend zijn kennen de beste resultaten. Die hebben een stevig karakter in termen van toezicht en consequent handelen, maar nodigen de jongeren tegelijk uit om de nodige stappen te zetten in de richting van een toekomst waar geen plaats meer is voor delinquentie. Pogingen om dat te bereiken met alleen een negatieve, repressieve benadering lopen een forse kans dat ze delinquentie bevorderen in plaats van remmen. Zo kan inzet van het strafrecht op langere termijn negatief uitwerken als jongeren vanwege hun delinquentie geen verklaring omtrent het gedrag kunnen overleggen en daarmee in hun scholing en maatschappelijke ontwikkeling worden beperkt, zelfs als ze al lang niet meer een criminaliteitsrisico vormen. Om deze en dergelijke redenen is het meer en vaker inzetten van het strafrecht tegen jeugddelinquentie riskant. Dit geldt zeker indien dit alleen repressief van aard is, minder als binnen het strafrechtelijk kader stimulerende en bindende maatregelen zorgen voor voldoende evenwicht.
Bron
Piquero, Alex R. (June 2023). “We study the past to understand the present: We understand the present to guide the future”: The time capsule of developmental and life-course criminology. Journal of Criminal Justice, vol. 85, June, pp. 1-11. https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0047235222000526
Summary
This essay begins with a quote from William Lund, and I think it is apropos for this essay on the history of developmental and life-course criminology, or DLC for short. At its core, DLC is focused on documenting and explaining, from an inter- and multi-disciplinary perspective, the longitudinal pattern of offending, from its onset to its persistence to its eventual desistance, how constellations of risk and protective factors are related to the ebbs and flows of antisocial and criminal activity, and the extent to which life events influence changes in criminal activity. This paper traces the history of Developmental and Life-Course Criminology. It uses the foil of the turning point to demarcate key contributions. Several turning points are identified that have shaped the study of developmental and life-course criminology. The paper concludes with recommendations for future research.
Unlike classic criminological theories, such as strain, social learning, control and social disorganization which have key assumptions about people and/or places, DLC is not necessarily one specific theory or framework, but instead a way of organizing findings and ideas about offending over the life-course. As well, DLC’s specific focus lies on understanding not just between-person differences in the causes, correlates, and patterns of crime, but in particular on “within-individual developments in offending over time…and recognizes that the causal factors influencing development may shift as the individual progresses along his or her behavioral pathway”. Of course, knowledge emerging from this line of work would also focus on the effects of policy or programs on offenders as well as variability in those effects over time.
In this essay, I trace the history of DLC, starting with the Belgian astronomer, mathematician, statistician, and sociologist Adolphe Quetelet who was the first person to document a relationship between age and crime using data from Paris/French official records. I do so, however, within the context of a useful foil first presented by Laub (2004) in his presidential address to the American Society of Criminology, where he also predicted a Cubs World Series though many years later! There, he used the framework and concepts of the life-course perspective to highlight turning points in the field. Finding that foil to be a very useful of summarizing and organizing contributions that moved a field in different and novel directions, I apply the concept of turning points to those turning points within criminology more generally that helped to give birth to the adult that is now DLC. I close by offering some predictions about the future of DLC so that when the next scholar ‘updates’ this essay that some traction will be made in important areas.
Afsluitend
Er zijn veel meta-evaluaties aangehaald in het bezien welk effect er kan uitgaan van interventies. De globale conclusie dat gemiddeld gesproken een bescheiden effect te verwachten is, en alleen een groter indien aan strenge voorwaarden is voldaan, verdient een nadere kwalificatie. Die publicaties gaan over interventies waar goed onderzoek naar is gedaan. Dat is al een specifieke selectie van alle programma’s – het overgrote deel van de interventies, wellicht meer dan 90%, wordt niet bekeken op zijn effecten. We hebben bij het kijken naar de uitkomsten dus te maken met bijzondere interventies, die met extra zorg zijn omkleed. Dat zijn de zogenaamde ‘etalageprojecten’ of ‘demonstratieprojecten’. Die zijn vaak gericht op kleine doelgroepen die op zich al sneller goede resultaten te zien geven, waarin men enthousiast en met veel geloof aan het werk gaat, hetgeen ook al bijdraagt aan de werkzaamheid. Naast deze elementen die een vertekening vormen naar de optimistische kant, speelt ook dat slechte/geen resultaten gevende programma´s minder snel worden gepubliceerd en dat soms een minder goede vergelijkingsbasis is gevonden met minder goede prognoses dan de experimentele groep. Al met al zijn hiermee de gebruikte resultaten eerder wat te rooskleurig dan te somber, tenminste als we willen taxeren wat in en reguliere uitvoeringspraktijk van interventies mag worden verwacht.
In Nederland is één ding echter duidelijk: er is sprake van in omvang afnemende cohorten jonge jeugdcriminelen. Bovenstaande dia maakt dat duidelijk. De vraag is wat dit voor effecten zal hebben op de strafrechtketen. Genoeg stof voor gedegen onderzoek en analyses op het terrein van de levensloopcriminologie lijkt mij.
